Vandaag zou ik na enige tijd weer een klas mogen geven. Ik kijk ernaar uit, want die uren spenderend achter een scherm, mijn weg banend door de krochten van Microsoft Sharepoint, muziek in mijn oren die mijn aandacht zogezegd afleidt van de andere hipsters met laptops naast, over en achter me in de buurtkoffiebar, het is soms toch te veel van het goede.

Het is trouwens niet zomaar een klas, het is een grammaticamodule, en dat is zeg maar, helemaal mijn ding: praten over en inzicht bieden in de bouwstenen van het Nederlands, en dit zonder evaluaties te moeten doen op het einde. Het is een soort remediëringsmodule, zowel voor de cursisten als voor mij.

Zodra ik een voet zet in het lokaal voel ik dat ik het lesgeven heb gemist. Ik moet nog enkele oefeningen printen dus ik loop de trappen af naar beneden. Ik merk aan mijn tred dat ik opmerkelijk vrolijk gestemd ben. Terwijl ik mijn A-kaart na een half jaar nog eens tegen het vertrouwde plastic scanmechanisme houd van het kopieerapparaat, neem ik een slok koffie en denk ik na over de wonderen der techniek. Het mag duidelijk zijn dat ik al even niet meer heb geprint op school.

Er verschijnt een boodschap op het kleine schermpje: ‘Er is een netwerkfout opgetreden.’ Ik onderneem verschillende pogingen maar ook manueel inloggen met behulp van cijferknoppen lijkt niet te werken. Ik grijp een voobijwandelende collega aan, die liever eerst het toilet had willen bezoeken, maar mijn zaak is ook dringend, ik moet binnen tien minuten voor een klas staan. ‘Natuurlijk mag jij mijn code gebruiken’ zegt ze, en op het moment dat zij die ongeremde collegialiteit tentoonspreidt, haalt het besef me in dat dit geen enkele zin heeft: printen is strikt persoonlijk en ik zou mijn printopdracht niet kunnen terugvinden in haar digitale printomgeving. Nog minder maakt het uit wanneer blijkt dat ook zij niet kan inloggen op het ding. Ze blijft er opvallend rustig onder, een eigenschap die hier niet echt welig tiert, maar wel in haar karakter ligt. In mijn hoofd haal ik mijn improvisatietalent boven voor die eerste les sinds een half jaar, er is geen tijd meer om iets te verzinnen.

Er zitten negen cursisten in de klas en na een administratieve ronde vertel ik kort wie ik ben en wat we in deze cursus zullen doen samen. Ik vertel hen dat ze de papieren nog zullen krijgen, maar dat de printers het niet doen. Er zijn van die dagen, voeg ik er maar aan toe, hopend op begrip van mijn publiek voor dit euvel. Terwijl ik dat zeg, besluit ik een mail te sturen naar de helpdesk maar bij het openen van mijn mail springt een grote gele gevarendriehoek me in het oog, die een uitroepteken omklemt. Met een half oog op mijn klasgroep lees ik dat er een virus zorgt voor een technische storing. Tegelijkertijd probeer ik zo laconiek mogelijk uit de doeken te doen dat de papieren wellicht voor na de pauze zullen zijn. Leerkracht zijn is meer dan ooit toneel spelen op zulke momenten. Met alles wat je hebt straal je rust en zekerheid uit, terwijl je handen vluchtig de muis bedienen, je hoofd telkens een stap verder wil blijven en je hart een formule-1 circuit racet.

Amper twintig minuten later, midden in mijn uitleg over het feit dat de u-persoonin sommige handboeken als een derde persoon wordt beschouwd omwille van de grammaticaregel, wringt een collega zich door de deur van mijn lokaal om toch maar de les niet te veel te storen, alsof de hoek waarin men de deur opent recht evenredig is met de mate van verstoring. Ik trek mijn wenkbrauwen even omhoog om aan te geven dat ik ontvankelijk ben voor haar te geven boodschap, waarop zij stellig ter zake komt: ‘Ik kom even zeggen dat je alles moet uitschakelen, heb je geen sms gekregen van Bart?’ Ze ziet dat ik even uit mijn rol val als evenwichtige klasleraar die alles onder controle wil hebben en voegt er gelijk aan toe: ‘Er is een cyberaanval op de hele stad Antwerpen gebeurd en het is aan het verspreiden, dus ze vragen om alles uit te zetten.’ Ter bewijs lees ik haar woorden op mijn telefoon en ik voeg dan maar de daad bij het woord. Beamer uit. Pc uit. Laptop uit.

‘We zullen dan maar wat vroeger pauze nemen’ spreek ik mijn klas toe, ‘daarna zullen we wel zien wat we doen met de imperfectum.’ Terwijl ik van mijn welverdiende koffie slurp (het koffieapparaat bleek gelukkig niet aangetast te zijn door de cyberaanval) besef ik plots dat al mijn lesmateriaal op OneDrive staat, waar ik dus niet meer bij kan. Dan maar alles uit het hoofd.

Het is uiteindelijk een uitstekende les geworden die dreef op motivatie en kennis, werd voortgestuwd door passie en vindingrijkheid maar vooral een zelfredzaamheid vergde, zowel van mij als van mijn klasgroep. Het was lang geleden dat ik me zo puur leerkracht voelde. Een krijtbord of een diaprojector had het afgemaakt.


Ontdek meer van Lennart Vanstaen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Wat denk jij? Of ken je een goeie mop? Reageer!