Beste heer Nooteboom,

Al enkele keren heb ik mezelf betrapt op de gedachte. Dat je* er niet meer was. Af en toe verscheen je in mijn nieuws van de dag of gesprek aan de tafel, en telkens dacht ik: je bent weeral ouder. Hetzelfde gevoel bekruipt me soms met andere helden zoals Kees Van Kooten en Toon Tellegen. Ik had het je gegund 100 te worden, met zulke mooie nullen. Maar die eeuwige slaap, waar je zelf dichterlijk leek naar te verlangen bij momenten, kon niet uitblijven.

Met weemoed denk ik terug aan de masterthesis die ik over jouw poëzie (vanaf 1982) heb geschreven. Die vele uren in de bibliotheek van de UA. Aan de correspondentie met de heer Rennenberg, wiens werk ik wilde voortzetten. Hij had het in zijn onderzoek over een labyrint, en hoe je er telkens tevergeefs uit wilde ontsnappen. Hij had het over de tijd en de dood in je gedichten. En over de weg naar boven, die hij ‘ascentionalisme’ doopte. Hoewel ik niet de grootste onderscheiding kreeg voor mijn eigen werk, ben ik nog steeds trots op en overtuigd van mijn kleine bijdrage: je spiritualiteit en de gnosis in je poëzie (waar ook Claus en vooral Mulisch zich mee inlieten) als ultieme ontsnapping.

Bekende foto van Cees Nooteboom, Harry Mulisch en Hugo Claus.

Ik hoop dat je jezelf uiteindelijk hebt gevonden. Dat je nu op een van die talloze geliefde plekken bent. In Duitsland of Spanje wellicht. Of misschien zit je nu wel op de Koude Berg, in China. Eindelijk dicht bij jezelf.

‘Van het begin af was Koude Berg mijn woning
Zwervend tussen de heuvels, ver van het rumoer.
Weg, en duizend dingen laten geen spoor na.
Los, en alles stroomt langs oneindig veel sterren.
Geen ding, en toch staat het voor me.
Nu ken ik de parel van het Boeddha-wezen
En ken zijn gebruik: grenzeloos en volmaakt en
zo rond als een nul.’

Ik zou nog zoveel kunnen schrijven, maar ik laat mezelf nu hier achter. En wel met mijn lievelingsgedicht van jou. Rust zacht, Cees Nooteboom.

Trinidad


Dit ben ik vaak geweest:
een man op een landweg,
een man in een vliegtuig,
een man met een vrouw.

En dit ben ik vaak geweest:
een man die zich onder een steen
wou verbergen
om geen licht meer te zien.

Deze twee mannen,
ze dragen mijn koffers,
ze lezen mijn kranten,
ze verdienen mijn brood.

Samen trekken we
door het geluid en de lucht van de wereld
op zoek naar het onzichtbare standbeeld
waar ze alledrie opstaan
in de gedaante van één.

*Eerst wilde ik je met u aanschrijven uit respect, maar ik kies toch voor een jij. Als er iets is wat ik je wil geven, is het nabijheid.


Ontdek meer van Lennart Vanstaen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

2 Comments

Laat een reactie achter bij Antony SamsonReactie annuleren

  • Mooi mooi!
    Ik ken hem vooral van zijn gedichten, maar ook weer niet erg goed. Ik denk dat ik maar één of twee bundels van hem gelezen heb.

    Ik ben benieuwd naar zijn reisverhalen en ga een verzameld werk zoeken in de bib.

    Bedankt voor je eerbetoon, Lennart.

    1. Dank!
      Zijn proza en reisverhalen ken ik dan weer niet zo goed. Het sprak me ook minder aan, op een manier. Misschien omdat ik zelf soms nogal een thuisblijver ben 😉 Hoewel dat die dingen ook evolueren…