‘Uw schoorsteenveger komt om 10u30. Er word alleen cach betaalt’. Al een uur zit ik te wachten op de schoorsteenveger, terwijl ik naar de winkel moet. Het is mijn eerste keer, dus ik ben een beetje zenuwachtig. Mijn innerlijk kind associeert het beroep, zeker rond deze tijd, met het aanstaande kinderfeest. De volwassene in mij schermt echter met dat kind en vormt zich een beeld van een plompe verschijning met vuile handen die met zijn camionette van het ene naar het andere huis rijdt en in die camionette ’s middags dikke boterhammen met vleessalade eet die zijn vrouw voor hem heeft gemaakt. En spelfouten maakt.

Een uur vertraging blijkt mijn grens dus ik besluit te bellen. Hij neemt op en vraagt vanwaar ik ben. ‘Antwerpen, Deurne’ antwoord ik, waarop hij, alsof het de logica zelf is: ‘Ik sta voor uw deur’. Stom dat ik niet vroeger heb gebeld dan. De volwassen man lacht het innerlijke kind uit wanneer ik een gezette, boerse kerel uit een camionette ziet stappen. Zijn nagelbedden zijn zwart van het roet, wanneer hij me ostentatief de hand reikt. Meteen valt zijn West-Vlaamse tongval me op.

Hij buigt zich over onze kachel en ik laat hem even doen. Een koffie hoeft hij niet. Nadat hij klaar is met zijn stofzuiger, roept hij me. Hij buigt zich over onze kachel en ik laat hem even doen. Een koffie moet hij niet hebben. Nadat hij klaar is met zijn stofzuiger, roept hij me. Hij verkondigt de blije boodschap dat alles in orde is en dat er geen reden is tot paniek (ik had hem mijn angst voor schouwbrand toevertrouwd na het lezen van talloze horrorscenario’s in de krant). Hij smijt met nog wat superlatieven aan het adres van mijn schouw zodat ik een niet misplaatste trots voel voor het ding.

Zijn monoloog gaat over in een meer technische uitleg over hoe dit soort schouw heet, welk inventief systeem erachter schuilgaat, waarin deze kachel verschilt van andere, hoe het eigenlijk een openhaard is die ik dus ook kan openzetten, zonder gevaar voor CO2-vergiftiging note bene – en of ik dat wist. Ik knik bij dit alles hevig en enthousiast, terwijl ik maar de helft begrijp van het platte West-Vlaams dat de man mijn kachel in spuugt.

Hij gaat zijn stofzuiger in zijn camionette zetten. Daarna komt hij terug om het attest op te maken, maar eerst wil hij zijn handen wassen. Ik ga hem voor naar de keuken en terwijl ik luister naar hoe hij dit beroep al zes jaar doet en hoeveel werk ze momenteel hebben met schouwen te herstellen, zoek ik met mijn vingers een aangename temperatuur voor de zijne. Nog voor ik kan zeggen dat wat hij voor een keukendoek houdt eigenlijk een vuile vod is, droogt hij zijn handen.

Hij maakt het attest, dat mag wel voor de 95 euro. En meer dan een beetje gestofzuigd en woordelijk mijn kachel bewierookt heeft hij feitelijk niet. Zijn schrift is verrassend keurig voor een vakman. Ik overhandig hem twee briefjes van 50, maar hij kan niet weergeven. Na veel vijven en zessen vraagt hij naar een nabije winkel en ik wijs hem op de slager op de hoek. Bij het buitengaan struikelt hij over mijn deurmat en vloekt. De kachel scoort punten, de mat niet. Een moment later overhandigt hij me een zwart briefje van vijf euro. In zijn hand zie ik een smos. Dan toch geen dikke boterhammen van moeder de vrouw.


Ontdek meer van Lennart Vanstaen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Wat denk jij? Of ken je een goeie mop? Reageer!