De dag voor kerstavond fietste ik naar huis door de miezerregen, waarbij het gure weer een katalysator was voor mijn donkere gedachten. Ik ben een ongewilde ramptoerist op afstand. Ik wil terugdenken aan hoe mijn broers en ik de kerstboom versierden en met de cadeautjes rammelden. Ik wil me de heerlijke geur van gebraden kalkoen, veenbessen en gekarameliseerde appel uit de kleine keuken van mijn moeder herinneren. Desnoods mijn vader die de hele dag liep te zeuren dat hij Kerstmis maar niets vond. Maar ik kon alleen denken aan wat anderen niet hebben.

Dit besef trok een traan uit mijn oog, en ik zag mezelf het voetpad oprijden om daar te stoppen, al was ik op vierhonderd meter van mijn woning. Ik zette mijn hoofdtelefoon af, ik moest de wereld horen. Een man liep me voorbij met een stapel dampende kartonnen dozen. Hij kwam van de Italiaan om de hoek. ‘Goeienavond’, zei hij, waarbij hij zijn kap opzij trok om onze blikken even te laten ontmoeten. Mocht dit tafereel zich honderd jaar geleden hebben afgespeeld, had hij ongetwijfeld zijn bolhoed afgenomen. Ik beantwoordde zijn groet, volgend met een automatische ‘prettige feestdagen’, wat op dit moment als zo’n hol aforisme klonk dat ik ermee moest lachen. De man was al enkele meters verder maar draaide zich om en zocht nogmaals mijn ogen, om ook mijn lach te beantwoorden, terwijl hij zijn pizza’s warm hield als kleine kinderen.

Ik passeerde de academie en drie vriendinnen verlieten het gebouw met hun fiets aan de hand, hun instrumenten op de rug en hun hoofd vol plannen voor het weekend. Aan het café op de hoek bestelden twee mannen een zoveelste pint. Ze verdrinken zich dagelijks in elkaars verhalen. De ene heeft een stem als een rasp en doet me zelf de keel schrapen telkens als ik hem hoor, de andere heeft een kleine Fiat Panda waarmee hij enkel van zijn woning naar het café rijdt en terug. Mocht hij verder rijden, zou het ding uit elkaar vallen. Deze mannen begroet ik ook, en ze knikken ietwat nors terug. Ik heb deze heren vaker gezien dan mijn ouders de voorbije vijf jaar.

Terwijl ik mijn fiets parkeerde, hoorde ik het hondje van mijn buurvrouw, die enkele huizen verderop woont, naast de slager. Het keft op dit uur een echo onze straat in, en bij elke blaf roept zij op het beestje, daarbij een oude imperatiefvorm gebruikend: ‘Zwijgt!’ Het heeft bij mijn weten nog nooit een effect gehad, maar daar malen ze beiden niet om. Ze moet wel tien keer per dag over straat waggelen met haar Maltezer, want elke keer als ik buitenkom, of het nu ’s morgens is om de kinderen naar school te brengen, of om mijn zoon ’s middags naar een vriend te brengen, of wanneer ik van mijn werk kom, of van de winkel, ze wandelt. Zelfs tegen enen ’s nachts, wanneer ik op zondag de vuilzakken buitenzet, doet ze een toertje. Van haar krijg ik naast een goeiedag ook een goeiemorgen, goeiemiddag, goeienavond, goeienamiddag en zelfs een enkele keer goeienacht.

Ik ging nog even op mijn dorpel zitten, zoals oude mensen dat vroeger wel eens deden. Al deze mensen, ze wandelen naast mij. Ze groeten mij, ze wensen me een goede gezondheid, succes met de verbouwing van mijn achtergevel of ze vinden mijn kinderen braaf.

Het straatlicht dooft, het is één uur ’s nachts. Mijn achterwerk is ondertussen halfbevroren. Morgen wordt het weer licht, en gaat het café weer open. De kerk zal er nog staan. En wanneer ik morgen naar buiten ga, zal ik gekef horen.

Ik wens jullie een liefdevolle kerst en een warm eindejaar.

sparkler light in dusk celebration scene


Ontdek meer van Lennart Vanstaen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Wat denk jij? Of ken je een goeie mop? Reageer!