De zon is al onder wanneer ik op de tram zit naar huis na een lange dag in Amsterdam. Van zo’n dag moet ik altijd even recupereren. Dat lukt soms wonderwel op een tram, al zou je dat misschien niet meteen zeggen. Zeker rond een uur of negen zit tram 10 – die naam en faam heeft van de drukst bezette tramlijn in Antwerpen – tjokvol. Het observeren van mensen onder de impuls van neoklassieke muziek is kalmerend. De kunst bestaat erin net op tijd weg te kijken wanneer mensen door hebben dat je hen observeert. Maar dat lukt niet altijd, zeker niet wanneer je moe bent.
Zo zit er een oudere, zwarte man, die eruitziet alsof hij geen plek heeft om te slapen. Terwijl ik fantaseer over hoe hem dat overkomen is, kijkt hij recht in mijn ogen. Het enige wat ik dan kan doen is glimlachen. Gelukkig doet hij precies hetzelfde. Plots vraag ik me af: hoe zou hij mij zien?
Een oud koppel kijkt betekenisvol naar een stel jongeren dat nogal rumoerig is. Zij fluistert iets in zijn behaarde oor. Dan kruisen onze blikken, ik zit aan hun overzijde. De vrouw merkt dat ik haar heb zien fluisteren. Lacht ze omdat ze kleur heeft bekend en ik getuige ben? Lacht ze omdat ze in mij – een witte cis-man – een soortgenoot meent te herkennen die het lawaai van vreemdelingen ook afkeurt? Nee. Ze heeft in het oor van haar trouwe metgezel gefluisterd: weet je nog toen wij jong waren, Albert? En dat wij de kusttram onveilig maakten?
Vier giechelende meiden bezetten samen drie stoelen. Ze kijken kennelijk naar hilarische filmpjes op één telefoon. Twee ervan delen oortjes. Plots kijkt het meisje zonder oortje naar mij. Ze aarzelt, maar gunt me toch een subtiele glimlach en kijkt meteen weer naar het kleine schermpje. Ze doet me denken aan een leerling die ooit in mijn OKAN-klas zat. Zou ze weten dat ik heb lesgegeven aan een meisje van haar leeftijd, kleur en stijl? Zij was vijftien en vertelde me na de les dat ze zwanger was. Ik mocht het niet vertellen aan de klas.
Een vrouw neemt haar huilende baby uit de kinderwagen om hem stil te krijgen. Haar man leert hun kleuter om zich vast te houden als de tram rijdt. ‘We zijn bijna thuis, Lotte’ zegt hij wanneer het kind geeuwt. Lotte kijkt me aan. Ze trekt aan de broek van haar papa en vraagt iets. Misschien vindt ze mijn hoofdtelefoon fascinerend. Of wil ze weten wat ik schrijf of teken in dat kleine boekje. Haar vader en ik wisselen een blik uit. Mijn ogen vertellen hem dat ik ook een vader ben. De zijne begrijpen dat.
Naast me kan ik door de aanzwellende strijkers van A Winged Victory for the Sullen een enthousiast gesprek horen in het Arabisch. Het is een gesprek tussen twee mannen – ik vermoed een vader en zijn tienerzoon. De vader animeert zijn woorden met vele handgebaren en ik begrijp dat het over voetbal gaat. Hij gebruikt het raam als voetbalveld om tactieken uit de doeken te doen. Misschien is hij wel een trainer. Of heeft hij zelfs de Afghaanse nationale ploeg gecoacht op een WK. Zijn zoon merkt dat ik kijk naar hoe zijn vader spelers uitbeeldt met zijn vingers. Moet hij zich schamen? Snel steek ik mijn duim op, ik hou ook van voetbal, maak ik hem duidelijk.
Venneborglaan, mijn halte. In een koele avondbries wandel ik nog een stukje naar huis. Björk zingt I see who you are now. Op de tram was ik vandaag leraar, vader en voetballiefhebber. Maar vooral mens.

Ontdek meer van Lennart Vanstaen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.