Terwijl we aan de ontbijttafel een discussie hebben over of je al dan niet stinkende pipi krijgt van een kom Smacks, trekken de hemelsluizen open. Het harde tikken op het dakvenster van de keuken belemmert deels ons gesprek. ‘Dat is weer typisch’, zegt mijn vrouw troosteloos onze tuin beschouwend, ‘het is mijn beurt om de kinderen naar school te brengen en het regent pijpenstelen.’ Ze voegt eraan toe dat het toch wel donker is en nat voor de tijd van het jaar. Ik ga ertegenin door te stellen dat het nog niet veel heeft geregend en haal daarbij ook een gezegde boven, dat ik met een nasaal stemmetje en opgestoken vinger op tafel laat rollen: maartse buien en aprilse grillen.
Enkele seconden later stopt het abrupt met regenen en noopt dat me ertoe mezelf te parafraseren: maartse buikes en aprilse grillekes! Ik richt me tot mijn dochter, die aan mijn rechterkant op de hoek van de tafel zit, en zeg haar dat je van maartse buikes wel buikpijn kunt krijgen, zoals mama precies op dit ogenblik. Of dat ze haar buik vol heeft van maart. Ze schudt die povere poging tot humor glimlachend van zich af maar lijkt wel geïnvesteerd in deze woordspeling. Dan zegt ze: ‘Mama, weet jij wat regenbuikes eigenlijk zijn?’ Mama antwoordt: ‘Nee?’ en samen horen wij al het antwoord in onze gedachten, namelijk dat er regen op iemands buik valt. Maar een regenbuike blijkt iets totaal anders. ‘Dat is wanneer er allemaal buiken uit de hemel vallen!’

Ontdek meer van Lennart Vanstaen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.